Driehoeksnet van Kraijenhoff

De Stelling als historisch geheel.
mhil
Generaal
Berichten: 396
Lid geworden op: 01 Mar 2009 14:24
Fort of organisatie: sector Zaandam
Locatie: Beverwijk

Driehoeksnet van Kraijenhoff

Berichtdoor mhil » 03 Nov 2015 20:01

Geen dag zonder lijn 200 jaar topografische kartering

Bron: Geo-info nummer 5 (uitgifte Kadaster)
Door drs. P.W. Geudeke
Integrale tekst alleen als .pdf beschikbaar (meer dan upload limiet) :(

Een wand mozaïek met het motto 'Nulla dies sine linea'sierde vanaf 1965 het centrale trappenhuis van de Topografische Dienst aan de Westvest te Delft (fig.i). Na 1984 werd het mozaïek geplaatst in het gebouw te Emmen.'Nulla dies sine linea'betekent'geen dag zonder lijn'. Zeer toepasselijk voor een bedrijf waar dagelijks vele lijnen getrokken worden. In vroeger tijden was deze spreuk al het devies van de Dienst der Militaire Verkenningen. Door dagelijks vele lijnen te trekken is vanaf 1800 ons land in kaart gebracht.Toen was het nog een leeg land, met grote delen woest en onbegaanbaar. De ontginning van de grote zand- en heidegebieden moest nog beginnen, de loop van de rivieren was nog grillig, wegen waren er weinig en van slechte kwaliteit. Het land telde 2 miljoen inwoners. Toch komt in die jaren een nationale aanpak van de topografische kartering tot stand.

Een politieke triangulatie Cornelis Kraijenhoff was een bijzonder man. Van zijn vader, genieofficier in het Staatse leger, leerde hij de praktijk van het landmeten en waterpassen. Voor hem was aanvankelijk geen militaire carrière weggelegd, hij wordt arts in Amsterdam. Het zijn rumoerige tijden. Zijn patriottische gezindheid leidt in 1795 tot een keerpunt met een benoeming tot commandant van de garde van Amsterdam en zijn inlijving in het Corps Ingenieurs. Doorzijn kennis en ervaring in karteringszaken wordt hij in 1798 betrokken bij de plannen voor een nieuwe kaart van ons land. Het nieuwe bewind van 1795 was erop gebrand de nieuwe bestuurlijke indeling van het grondgebied af te beelden op een Groote Kaart van de Bataafsche Republiek. Een kaart voor politieke propaganda! Het Uitvoerend Comité gaf op 10 oktober 1798 aan Kraijenhoff de opdracht zo'n kaart te maken. Het lukte hem niet om het beschikbare kaartmateriaal samen te voegen. Daarvoor was een betrouwbare meetkundige grondslag nodig. Kraijenhoff startte met de uitvoering van een driehoeksmeting in Holland met behulp van een sextant en met succes weet hij daarna uit bestaand kaartmateriaal twee kaartbladen samen te stellen. Van Swinden, lid van het Comité, maar als wiskundige eerder betrok
ken geweest bij de berekeningen van de Franse driehoeksmeting van Mechain en Delambre, is vol lof. Toch had hij liever gezien dat de kans was aangegrepen om een soortgelijke, wetenschappelijk verantwoorde driehoeksmeting uit te voeren en zo de Bataafsche Republiek in de vaart der volken mee op te stuwen. Kraijenhoff doet bij het Comité een beroep op het hoog houden van de nationale eer en krijgt de opdracht om een systematische driehoeksmeting uit te voeren. Een grote repetitiecirkel van Borda wordt bij Lenoir in Parijs besteld en in 1801 begint hij met de metingen die in 1811 worden voltooid. De driehoeksmeting van Kraijenhoff heeft tot 1932 als grondslag gediend voor de Nederlandse topografische kaarten. Door de grote inspanningen voor de driehoeksmeting leek de vervaardiging van de kaart wat op de achtergrond te zijn geschoven. Ook waren er grote hiaten in de topografische informatie van Groningen, Drenthe en de Veluwe, die alleen door nieuwe terreinopnemingen opgevuld konden worden. Het eerste blad van de Choro-Topographische kaart der Noordelijke Provinciën van het Koningrijk der Nederlanden, op de schaal 1:115.200, verscheen in 1810. De gehele serie van negen bladen werd pas voltooid in 1823 {fig.2). Het grootste manco van deze kaart was het gebruik van zwaar verouderd bronmateriaal.
Terreinverkenningen Wie voerden nu in feite de terreinverkenningen en het graveerw/erk voor de kaart uit? In i8o6 werd door koning Lodewijk Napoleon een belangrijke instantie in het leven geroepen; een depot voor de archieven van oorlog en marine, naar Frans voorbeeld. Kraijenhoff werd directeur van dit depot, in 1809 opgevolgd door zijn neef M.J. de Man. Dit depot had als taak het verzamelen van kaarten, verkenningen en beschrijvingen, geodetische en astronomische waarnemingen, waterpassingen en het vervaardigen van kaarten. Tot het depot behoorde een Topographisch Bureau, dat speciaal belast was met de bewaring van kaarten van het Rijk en de vervaardiging van de 'grote kaart'. Er werkte een aantal tekenaars, graveurs en een drukker. Kraijenhoff kreeg de beschikking over een brigade van zeven geographische ingenF eurs, genieofficieren, die terreinverkenningen uitvoerden en assisteerden bij de driehoeksmeting (fïg.3). In een gedrukte instructie uit 1808 zijn de taken van deze officieren beschreven. In 1810-1811 werd het archief overgebracht naar Parijs en hield het Topographisch Bureau op te bestaan. De ingenieurs werden ingelijfd in het Franse geniecorps.
In 1814 volgt de heroprichting van het Depot-Generaal van Oorlog met opnieuw een Topographisch Bureau. Dit bureau wordt in 1815 gereorganiseerd en gesplitst in twee afdelingen. De Eerste Afdeling onder leiding van De Man, kreeg als taak het uitvoeren van triangulaties, topografische opnemingen, waterpassingen en de vervaardiging van militaire kaarten. Deze werkzaamheden werden uitgevoerd door genieofficieren, de eerder genoemde geografische ingenieurs. De naam Eerste Afdeling raakte snel in onbruik en sprak men weer over het Topographisch Bureau. Genieofficieren zoals Huegenin voerden in grote delen van het land detailterreinverkenningen uit, voornamelijk in het noorden, bedoeld voor de 'grote kaart'. De Tweede Afdeling was bedoeld als oefenplaats voor officieren van de Kwartiermeester-Generaal om door snelle verkenningen zoveel mogelijk kennis van het terrein op te doen. Deze Afdeling kreeg de opdracht om het zuidelijk grensgebied in kaart te brengen, wordt in 1816 in Mons gevestigd en twee jaar later naar Gent overgebracht. Vanaf 1817 kwam deze afdeling onder de bekwame leiding van J.E. van Gorkum en werd al spoedig bekend onderde naam Militaire Verkenningen. Van Gorkum heeft zeer sterk zijn stempel gedrukt op de ontwikkeling van dit dienstvak tot een volwaardige karteringsorganisatie. Bij de Militaire Verkenningen werden de eerste stappen gezet op het gebied van de lithografie door de overname van de particuliere steendrukkerij Paulmien Zo waren er in deze periode twee karteringsorganisaties naast elkaar werkzaam! In 1828 komt hieraan een einde met de ontmanteling van het Topographisch Bureau.
Jaren later keert de naam Topographisch Bureau weer terug. De steendrukkerij van de Militaire Verkenningen werd in 1836 officieel onder het Departement van Oorlog gesteld en in 1841 overgebracht naar Den Haag. In 1848 werd deze drukkerij onder de naam Topographisch Bureau een zelfstandig onderdeel van het Departement van Oorlog met als taak het reproduceren van kaarten. De gelegenheid om de Militaire Verkenningen en het Topographisch Bureau samen te voegen werd niet aangegrepen. Verkenningen en reproductie gaan een eigen weg met alle vervelende gevolgen die dat Jaren later zou opleveren. Pas in 1932 komen zij in de Topografische Dienst weer bij elkaar.
Op weg naar de stafkaart De officieren van de Militaire Verkenningen, gestationeerd bij het veldleger in NoordBrabant, begonnen in 1834 op eigen houtje, zonder formele opdracht en zonder toelage, terrein-opnemingen te doen. Zij toonden het resultaat aan Prins Willem in zijn hoofdkwartier te Tilburg die daarmee zeer ingenomen was. Hij laat de chef van de Generale Staf opdracht geven om het werk voort te zetten. In 1839 gaf de koning formeel toestemming voor deze opneming. Later worden de verkenningen uitgebreid tot het hele land. De hoogste legeropleiding bleek niet gemakkelijk te overtuigen van de noodzaak van een gedrukte kaartserie voor het gehele land. Enkele handgetekende kopieën en dan alleen nog maar van de grensgebieden leken voldoende. Gelukkig werd een groot voorstander van een gedrukte kaart, Forstner van Dambenoy, directeur van de militaire steendrukkerij, in 1852 Minister van Oorlog, Door zijn toedoen is het gekomen tot de uitgave van de Topographische en Militaire Kaart van het Koningrijk der Nederlanden op de schaal 1:50.000, bekend als 'stafkaart'.
De primaire driehoeksmeting van Kraijenhoff vormde de meetkundige grondslag voor deze kartering. Bij het begin van de verkenningswerkzaamheden in Noord-Brabant in 1836 is tevens een aanvang gemaakt met de verdichting van dit driehoeksnet. Bij de metingen werd gebruik gemaakt van de repetitiecirl(el van Borda en de Engeisezal<sextanten later ookeen gewijzigde ttieodolietvan Becl<er Uitgangspunt voor de terreinopname vormde de kadastrale opmeting die in 1832 gereed kwam. Voordat de terreinwerkzaamheden begonnen maakte de officier-verkenner verkleiningen 1:25.000 van de kadastrale plans. Deze werden zorgvuldig langs de gemeentegrenzen uitgesneden en op kartons vastgelijmd. De kartons werden als veidminuten door de verkenner in het terrein aangevuld met ontbrekende topografie (fig.4).
De verkenner had de veldminuut op een plankje gespannen bij zich. De ontbrekende topografische details konden aan de hand van het kadasterbeeld meestal gemakkelijk op de juiste plaats in potlood worden ingetekend. Waar nodig maakte men gebruik van eenvoudige landmeetkundige instrumenten. In de eerste jaren waren dit planciietten en vizierlinealen, later ging men de handzame sextant-transporteur gebruiken. Afstanden werden uitgepast of sporadisch met de meetketting gemeten. Met de nivelleerboussole mat men zowel verticale als horizontale hoeken, de laatste ten opzichte van het magnetische noorden. Voor deze hoogtemeting ging men uit van de bestaande verkenmerken langs
wegen, kanalen en rivieren. De namiddag werd besteed om het opgenomen terreingedeelte te inkten en te kleuren. Het was een uitdrukkelijke eis dat het veldwerk nog op dezelfde dag werd afgewerkt. Uit de veidminuten werden in de winterperiode de nettekeningen 1:50.000 samengesteld door het kaartbeeld handmatig te reduceren. Deze nettekeningen vormden het uitgangspunt voor de steengravure. De totale gravure van een blad vergde twee jaar. Van de gegraveerde steen werd gedrukt op de steendrukpers. Deze arbeidsintensieve en dure methode kon door de ontwikkeling van de fotografie sterk worden verbeterd. In 1863
slaagde men erin tekeningen fotografisch op steen te brengen. Vanaf het begin diende de militaire stafkaart een civiel belang. De kaart deed dienst als basis voor de waterstaatskaart en de geologische kaart. Ook werden kaartbladen aan het publiek ter beschikking gesteld (fig.5). Bij deze kaartserie voegden zich in het laatste kwart van de 19e eeuw nog de kaartseries 1:25.000 en 1:200.000, waarmee de hele reeks topografische producten beschikbaar was.
Een nieuwe organisatie De gedeelde verantwoordelijkheid voor het kaartvervaardigingsproces tussen de Militaire Verkenningen en het Topografisch Bureau (vanaf 1868 Topographische Inrichting geheten) heeft tot veel problemen geleid. Door veel werk voor het Ministerie van Oorlog en andere departementen liep de Topographische Inrichting grote achterstanden op in de bijhouding van de topografische kaartseries. Deze ongewenste situatie heeft uiteindelijk geleid tot een ingrijpende reorganisatie. De Minister van Oorlog liet in 1926 een commissie onderzoek doen naar de werking van de Topographische Inrichting. Het advies van deze commissie leidde tot veel overleg en discussie onder meer over het gebruik van de fotogrammetrie. Uiteindelijk besloot de minister in 1930 om de Militaire Verkenningen en de Topographische Inrichting samen te voegen, de kaarten 1:25.000 en 1:50.000 zo snel mogelijk via fotolithografie te vervaardigen en de fotogrammetrie als werkmethode toe te passen. Bij Koninklijk Besluit van 1932 werd de organisatie van de nieuwe Topografische Dienst vastgesteld. Van Hengel, oud-kapitein ter zee en raadadviseur, werd waarnemend directeur. De dienst werd gevestigd in liet gebouw aan de Prinsessegraclit in Den Haag waar de Topograptiisclie Inrichting al sinds 1918 was neergestreken (fig.ó).
De topografische kartering geschiedde voortaan op basis van luchtfoto's. Daarvoor moeten de luchtfoto's eerst tot een betrouwbaar geheel worden samengevoegd door middel van de fotogrammetrie. Belangrijke instrumenten hiervoor waren de radiaaltrlangulator voor de aerotriangulatie, het ontsciirankingsapparaat yoox het onthoeken van de foto's en het stereokarteerinstrumentwor kartering van heuvelgebieden. De terreinverkenning op basis van luchtfoto's werd overgenomen door burger-topografen die binnen het bedrijf een opleiding kregen. Voorafgaande aan het veldwerk wordt de bebouwing stereoscopisch uitgelezen en ingetekend. Buiten worden de overige details meteen naald ingegraveerd (en met schoensmeer zichtbaar gemaakt) met grote aandacht voor de classificatie van wegen en waterlopen, begroeiing, kilometerpalen, duikers, handwijzers, ed. Voltooide foto's worden opgestuurd naar het bedrijf om te dienen als model voor het uitvoeren van de basiskartering.
Bij de kaartproductie ging men over van de steengravure naar de fotolithografie en offsetdruk. Deze karteringsmethode heeft dienst gedaan tot de jaren '90 van de vorige eeuw. De nieuw ingezette ontwikkeling kwam met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog tot een abrupt einde. De Duitse bezetter nam de Topografische Dienst al snel in handen. Waarnemend directeur van Hengel werd in september 1940 ontslagen en een Duits officier, Hauptmann Feige werd met de leiding belast. Het personeel bracht veel belangrijk materiaal in veiligheid om na de oorlog weer verder te kunnen gaan. In 1943 dwongen de Duitsers de dienst te verhuizen naar Utrecht. Het heen en weer reizen van het personeel tussen Den Haag en Utrecht werd na de spoorwegstaking in september 1944 onmogelijk waarmee het werk volledig kwam stil te liggen. Op 12 september 1945 werd de Dienst in Utrecht weer in bedrijf gesteld. Veel verborgen materiaal kon worden opgediept, maar er bleken ook belangrijke stukken, zoals alle rasters en astralons van verschillende bladen, door de bezetter te zijn meegenomen of vernietigd, ln 1947 besloot de Minister de Topografische Dienst naar Delft te verplaatsen.

mhil
Generaal
Berichten: 396
Lid geworden op: 01 Mar 2009 14:24
Fort of organisatie: sector Zaandam
Locatie: Beverwijk

Re: Driehoeksnet van Kraijenhoff

Berichtdoor mhil » 10 Feb 2016 20:16

Kraaijenhoff landmetingen.pdf
(2.04 MiB) 50 keer gedownload

Bron: Geo-info


Terug naar “Stelling Geschiedenis”



Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 1 gast